04.05

PARENTALE ONTVOERING

GRIJP TIJDIG IN

Wat is parentale ontvoering?

Uw kind werd overgebracht naar of wordt vastgehouden in één van de landen die gebonden zijn door het verdrag van ’s-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen.

Uw kind is jonger dan 16 jaar.

 

Vóór de overbrenging had uw kind zijn gewone verblijfplaats in België (of in een ander land dat gebonden is door het Verdrag van ’s-Gravenhage van 25 oktober 1980 betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen).

Het begrip 'gewone verblijfplaats' wordt niet omschreven in het Verdrag van 's-Gravenhage. De gewone verblijfplaats is niet noodzakelijk de plaats waar het kind officieel in de bevolkingsregisters is ingeschreven. De gewone verblijfplaats is een feitelijk begrip. In de meeste gevallen is de gewone verblijfplaats van het kind daar waar het leven van het kind zich sinds enige tijd daadwerkelijk afspeelde (woning, school, medische onderzoeken, sociaal leven, sportieve en culturele activiteiten ...). De gewone verblijfplaats van het kind kan ook de plaats zijn waar het leven van het kind zich sinds korte tijd afspeelde, met de bedoeling evenwel dat dit voor een zekere tijd zou zijn.

Vóór de overbrenging van uw kind had u het gezagsrecht over het kind, in de zin van het verdrag van 's-Gravenhage

  • In het verdrag van 's-Gravenhage wordt het gezagsrecht omschreven als 'het recht dat betrekking heeft op de zorg voor de persoon van het kind, en in het bijzonder het recht over zijn verblijfplaats te beslissen'. Het begrip 'gezag', zoals gebruikt in het verdrag van 's-Gravenhage, stemt dus in het Belgisch recht overeen met het ouderlijk gezag over de persoon van het kind en niet met de (hoofdzakelijke of secundaire) huisvesting van het kind. Het (gezamenlijk of exclusief) ouderlijk gezag kan worden toegewezen op grond van de wet (artikelen 373 en 374 van het Belgisch Burgerlijk Wetboek) of op grond van een rechterlijke beslissing.

  • U oefende het ouderlijk gezag over de persoon van het kind daadwerkelijk uit, met andere woorden u droeg daadwerkelijk bij tot de beslissingen betreffende uw kind

  • U hebt geen toestemming gegeven voor de wijziging van de verblijfplaats van het kind

Wat kan CompuX voor u betekenen?

Verstoting en vervreemding voorkomen


In geval van parentale kinderontvoering moet een procedure opgestart worden tot teruggeleiding. De grootste zorg van CompuX is dat uw kind zo spoedig mogelijk opnieuw contact heeft met u, de achtergebleven ouder. Het komt immers vaak voor dat de ouder-ontvoerder het kind tracht te vervreemden van de andere ouder. Dat kan leiden tot ouderverstoting of oudervervreemding.

Levenspad van uw kind niet veranderen


Bij internationale parentale kinderontvoering is het van belang dat het leven van uw kind in het thuisland niet onderbroken kan worden, zodat de school en andere activiteiten niet in het gedrang komen. 

Wereldwijd netwerk


CompuX heeft een breed netwerk van contacten die hulp verlenen bij het vinden van uw kind dat nog niet gelokaliseerd werd en bij de teruggeleiding. Bij kritieke situaties gaat CompuX ter plaatse en doet de nodige stappen om uw kind veilig terug te brengen.

Preventieve maatregelen


Wanneer er een dreigend gevaar bestaat voor internationale parentale kinderontvoering kunnen er preventieve maatregelen getroffen worden. CompuX verzamelt en legt de bewijslast vast om aan uw advocaat de nodige middelen te geven, om een zaak voor de familierechter met een eventueel verzoek om een verbod uit te spreken, om het land te verlaten met de minderjarige.

Wat zegt de wet?

Art. 373.<W 1995-04-13/37, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> Wanneer de ouders samenleven, oefenen zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uit.
Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met de andere ouder wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met gezag verband houdt behouden de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
Bij gebreke van instemming kan één van beide ouders de zaak bij de [1 familierechtbank]1 aanhangig maken.
De rechtbank kan één van de ouders toestemming verlenen alleen op te treden voor één of meer bepaalde handelingen.

Art. 374.<W 1995-04-13/37, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> (§ 1.) Wanneer de ouders niet samenleven, blijven zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en geldt het in artikel 373, tweede lid, bepaalde vermoeden. <W 2006-07-18/38, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 14-09-2006>
Bij gebreke van overeenstemming over de organisatie van de huisvesting van het kind, over de belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding en zijn ontspanning en over de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes of wanneer deze overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind, kan de bevoegde [1 familierechtbank]1 de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders.
Hij kan eveneens bepalen welke beslissingen met betrekking tot de opvoeding alleen met instemming van beide ouders kunnen worden genomen.

Hij bepaalt de wijze waarop de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, persoonlijk contact met het kind onderhoudt. Dat persoonlijk contact kan enkel om bijzonder ernstige redenen worden geweigerd. De ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, behoudt het recht om toezicht te houden op de opvoeding van het kind. Hij kan bij de andere ouder of bij derden alle nuttige informatie hieromtrent inwinnen en zich in het belang van het kind tot de [1 familierechtbank]1 wenden.
In elk geval bepaalt de rechter de wijze waarop het kind wordt gehuisvest en de plaats waar het in het bevolkingsregister wordt ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf.
(§ 2. Ingeval de ouders niet samenleven en hun geschil [1 bij de familierechtbank]1 aanhangig wordt gemaakt, wordt het akkoord over de huisvesting van de kinderen door de rechtbank gehomologeerd, tenzij het akkoord kennelijk strijdig is met het belang van het kind.
Bij gebrek aan akkoord, in geval van gezamenlijk ouderlijk gezag, onderzoekt de rechtbank op vraag van minstens één van de ouders bij voorrang de mogelijkheid om de huisvesting van het kind op een gelijkmatige manier tussen de ouders vast te leggen.
Ingeval de rechtbank echter van oordeel is dat de gelijkmatig verdeelde huisvesting, niet de meest passende oplossing is, kan zij evenwel beslissen om een ongelijk verdeeld verblijf vast te leggen.
De rechtbank oordeelt in ieder geval bij een met bijzondere redenen omkleed vonnis, en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak en het belang van de kinderen en de ouders.) <W 2006-07-18/38, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 14-09-2006>

(1)<W 2013-07-30/23, art. 59, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014> 

Art. 374/1. [1 De ouder aan wie het gezag over de persoon van het kind is toevertrouwd, ofwel luidens de in artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde overeenkomst die werd gehomologeerd met toepassing van artikel 1298 van hetzelfde Wetboek, ofwel ingevolge de overeenstemming tussen de ouders die werd bekrachtigd overeenkomstig artikel 1256 van hetzelfde Wetboek, ofwel bij beslissing van de voorzitter van de rechtbank rechtsprekend in kortgeding, overeenkomstig artikel 1280 van hetzelfde Wetboek, ofwel bij rechterlijke uitspraak met toepassing van de artikelen 223 of 374, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, mag de rechter verzoeken voor te schrijven dat op het op naam van het kind afgegeven identiteitsdocument en paspoort wordt vermeld dat het zonder de instemming van die ouder geen buitengrens mag overschrijden van de ruimte als bepaald in de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het tussen de regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen.
Als het ouderlijk gezag gezamenlijk door de vader en de moeder van het kind wordt uitgeoefend, komt het recht om te verzoeken om de toevoeging van de in het eerste lid bedoelde vermelding toe aan die ouder over wie de rechter heeft bepaald dat het kind in het bevolkingsregister wordt ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf.
Op verzoek van degene die het omgangsrecht heeft in de zin van artikel 5 van het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, opgemaakt te 's Gravenhage op 25 oktober 1980, kan de rechter beslissen dat op het identiteitsdocument en op het paspoort van het kind wordt vermeld dat ook de instemming van die persoon vereist is om de minderjarige een buitengrens te laten overschrijden.
De rechter brengt de beslissing ter kennis van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het kind verblijft.]1

Welke straffen staan er op kinderontvoering of het niet naleven van het omgangsrecht?

Art. 426.<W 2000-11-28/35, art. 31, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> § 1. Met gevangenisstraf van acht dagen tot twee maanden en met geldboete van vijftig [euro] tot vijfhonderd [euro] of met een van die straffen alleen, onverminderd, indien daartoe grond bestaat, de toepassing van strengere strafbepalingen, worden gestraft zij die de bewaring hebben van een minderjarige of van [1 een persoon die kwetsbaar was ten gevolge van zijn leeftijd, zwangerschap, een ziekte, dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid en die]1niet in staat is om in zijn onderhoud te voorzien, het onderhoud van het kind of van de persoon in dusdanige mate nagelaten hebben dat zijn gezondheid in het gedrang wordt gebracht. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
 

§ 2. Indien de nalatigheid de dood veroorzaakt van de minderjarige of [1 van een in § 1 bedoelde persoon en die]1 niet in staat is in zijn onderhoud te voorzien, wordt de schuldige gestraft met gevangenisstraf van drie maanden tot twee jaar en met geldboete van vijftig [euro] tot duizend [euro]. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>

(1)<W 2011-11-26/19, art. 22, 084; Inwerkingtreding : 02-02-2012> 

Afdeling III. - <W 2000-11-28/35, art. 31, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> Bepaling aan de afdelingen I en II gemeen.

Art. 427.<W 2000-11-28/35, art. 31, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> In de gevallen omschreven in de artikelen 423, 425 en 426, wordt de minimumstraf gesteld in die artikelen verdubbeld in geval van gevangenisstraf en met twee jaar verhoogd in geval van opsluiting indien de schuldige de daden tegen zijn vader, moeder, adoptanten of andere bloedverwanten in de opgaande lijn heeft gepleegd.
Hetzelfde geldt indien de schuldige, de vader, de moeder of de adoptant is van het slachtoffer dan wel elke andere persoon die gezag over het slachtoffer heeft of de bewaring ervan heeft.
[1 Daarenboven kan de in artikel 33 bepaalde straf worden toegepast.]1

(1)<W 2011-11-26/19, art. 23, 084; Inwerkingtreding : 02-02-2012> 

Afdeling IV. - <W 2000-11-28/35, art. 31, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> Ontvoering en verberging van minderjarigen [1 en van kwetsbare personen]1.

(1)<W 2011-11-26/19, art. 24, 084; Inwerkingtreding : 02-02-2012> 

Art. 428.<W 2000-11-28/35, art. 31, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> § 1. Met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar wordt gestraft hij die een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, ontvoert of doet ontvoeren, zelfs als de minderjarige zijn ontvoerder vrijwillig is gevolgd.

 

§ 2. Met opsluiting van vijf jaar tot tien jaar wordt gestraft hij die een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, [1 of iedere persoon van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid duidelijk was of de dader bekend was]1 ontvoert of doet ontvoeren door geweld, list of bedreiging.
 

§ 3. (...) <W 2002-06-14/42, art. 6, 036; Inwerkingtreding : 24-08-2002>
 

§ 4. De straf is opsluiting van vijftien jaar tot twintig jaar indien de ontvoering of de gevangenhouding van de ontvoerde minderjarige [1 of van de in § 2 bedoelde persoon]1 , hetzij een ongeneeslijk lijkende ziekte, hetzij een [2 ongeschiktheid tot het verrichten van persoonlijke arbeid van meer dan vier maanden]2, hetzij het volledig verlies van het gebruik van een orgaan, hetzij een zware verminking ten gevolge heeft.
 

§ 5. Indien de ontvoering of de gevangenhouding de dood ten gevolge heeft, is de straf opsluiting van twintig jaar tot dertig jaar.
 

(1)<W 2011-11-26/19, art. 25, 084; Inwerkingtreding : 02-02-2012> 
(2)<W 2016-02-05/11, art. 23, 114; Inwerkingtreding : 29-02-2016> 

Art. 429.<W 2000-11-28/35, art. 31, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> Met dezelfde straffen als de dader van de ontvoering wordt gestraft hij die een minderjarige [1 of een kwetsbaar persoon als bedoeld in artikel 428, § 2, van wie hij weet dat hij is ontvoerd]1, bij zich houdt.

(1)<W 2011-11-26/19, art. 26, 084; Inwerkingtreding : 02-02-2012> 

Art. 430.<W 2000-11-28/35, art. 31, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> In de gevallen bedoeld in de artikelen 428 en 429, met uitzondering van de gevallen bedoeld in [2 artikel 428, §§ 4 en 5]2, is de straf gevangenisstraf van twee jaar tot vijf jaar en geldboete van tweehonderd [euro] tot vijfhonderd [euro] indien, binnen vijf dagen na de ontvoering, de ontvoerder of de persoon bedoeld in artikel 429 [1 de ontvoerde minderjarige of de ontvoerde kwetsbare persoon]1 vrijwillig heeft teruggegeven. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>

(1)<W 2011-11-26/19, art. 27, 084; Inwerkingtreding : 02-02-2012> 
(2)<W 2014-05-05/09, art. 15, 106; Inwerkingtreding : 18-07-2014> 

Afdeling V. - <W 2000-11-28/35, art. 31, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> Niet-afgeven van kinderen.

Art. 431. <W 2000-11-28/35, art. 31, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig [euro] tot honderd [euro] of met een van die straffen alleen worden gestraft zij aan wie een minderjarige beneden de leeftijd van twaalf jaar is toevertrouwd en hem niet afgeven aan de personen die het recht hebben hem op te eisen. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Indien de schuldige deze minderjarige meer dan vijf dagen verborgen houdt voor degenen die het recht hebben hem op te eisen of deze minderjarige onrechtmatig buiten het grondgebied van het Koninkrijk vasthoudt, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van zesentwintig [euro] tot tweehonderd [euro] of met een van die straffen alleen. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>

Art. 432. <W 2000-11-28/35, art. 31, 029; Inwerkingtreding : 27-03-2001> § 1. Met gevangenisstraf van acht dagen tot een jaar en met geldboete van zesentwintig [euro] tot duizend [euro], of met een van deze straffen alleen worden gestraft :<W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002> 
de vader of moeder die het minderjarige kind onttrekt of poogt te onttrekken aan de rechtsvervolging, tegen dit kind ingesteld uit kracht van de wetgeving betreffende de jeugdbescherming of betreffende de jeugdbijstand, die het onttrekt of poogt te onttrekken aan de bewaring van de personen aan wie de bevoegde overheid het heeft toevertrouwd, die het niet afgeeft aan degenen die het recht hebben het op te eisen of die het, zelfs met zijn toestemming, ontvoert of doet ontvoeren.
Is de schuldige geheel of ten dele ontzet uit de ouderlijke macht, dan kan de gevangenisstraf tot drie jaar worden verhoogd.

 

§ 2. Indien de schuldige het minderjarige kind meer dan vijf dagen verborgen houdt voor degenen die het recht hebben het op te eisen of het minderjarige kind onrechtmatig buiten het grondgebied van het Koninkrijk vasthoudt, wordt hij gestraft met gevangenisstraf van een jaar tot vijf jaar en met geldboete van vijftig [euro] tot duizend [euro], of met een van deze straffen alleen. <W 2000-06-26/42, art. 2, Inwerkingtreding : 01-01-2002>
Is de schuldige geheel of ten dele ontzet uit de ouderlijke macht, dan is de gevangenisstraf minstens drie jaar.

 

§ 3. Wanneer over de bewaring van het minderjarige kind mocht zijn beslist, hetzij gedurende het verloop of ten gevolge van een geding tot echtscheiding of tot scheiding van tafel en bed, hetzij in andere bij de wet bepaalde omstandigheden, dan worden de straffen bepaald in de §§ 1 en 2 toegepast op de vader of de moeder die het minderjarige kind onttrekt of poogt te onttrekken aan de bewaring van hen aan wie het krachtens de beslissing is toevertrouwd, die het niet afgeeft aan degenen die het recht hebben het op te eisen of die het, zelfs met zijn toestemming, ontvoert of doet ontvoeren.
 

§ 4. Indien over de bewaring van het minderjarige kind een aan de rechtspleging door onderlinge toestemming voorafgaande minnelijke schikking is getroffen, worden de straffen bepaald in §§ 1 en 2 toegepast op de vader of de moeder die, vanaf de datum van de overschrijving van de echtscheiding door onderlinge toestemming, het minderjarige kind onttrekt of poogt te onttrekken aan de bewaring van hen aan wie het krachtens de beslissing of de minnelijke schikking is toevertrouwd, die het niet afgeeft aan hen die het recht hebben het op te eisen of die het, zelfs met zijn toestemming, ontvoert of doet ontvoeren.

 bron: https://www.justitie.belgium.be

https://www.ejustice.just.fgov.be

© 2019 -         14.1952.10 - BE 0673.395.180

privacyverklaring

  • LinkedIn Social Icon