04.04

OMGANGSREGELING

SCHEIDING EN KINDEREN

Wanneer ouders uit elkaar gaan, is het beter dat ze in onderling overleg beslissingen nemen wat de kinderen betreft (woonplaats, verblijfsmodaliteiten…).

Zo blijven de ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen en nemen ze samen belangrijke beslissingen rond gezondheid, opvoeding, opleiding, vrije tijd en religieuze of filosofische oriëntatie van het kind.

Wanneer de ouders het niet eens worden, wordt de zaak voor de familierechtbank gebracht. Die zal in de eerste plaats aanraden om het geschil te beslechten via verzoening, bemiddeling of elke andere vorm van minnelijke oplossing van conflicten.

Minderjarige kinderen hebben het recht om gehoord te worden door een rechter wat betreft het ouderlijk gezag, het verblijf en het recht op persoonlijk contact.

De familierechtbank doet dan een uitspraak in het belang van het kind over een aantal punten:

  • de woonplaats

  • de verblijfsmodaliteiten

  • de uitoefening van het ouderlijk gezag

  • het onderhoudsgeld 

Omgangsrecht voor de grootouders

Vaak verliezen de grootouders contact met hun kleinkinderen bij de feitelij­ke scheiding of echtscheiding van hun zoon of dochter. Sinds de wet van 13 april 1995 kunnen de grootouders en met hen elke persoon die een bijzondere band met een kind heeft zich tot de familierechtbank wenden om een omgangsrecht af te dwingen.

Grootouders hebben uiteraard een beperkter omgangsrecht dan een gescheiden vader of moeder, vaak wordt een omgangsrecht toegestaan voor 1 dag per maand en wat langer (2-3 dagen) tijdens de schoolvakanties.

In uitzonderlijke omstandigheden zal de rechter aan de grootouders een omgangsrecht weigeren.

 

Wat CompuX voor u kan betekenen

Als je serieuze redenen hebt kun je aan de familierechtbank vragen aan het omgangsrecht van je (ex)echtgenoot bepaalde beperkingen te verbinden of het te verbieden.

CompuX verzamelt hiervoor de nodige bewijslast en maakt hiervoor de nodige rapporten op.

Voorbeelden:

  • Je bent bang dat hij de kinderen zou ontvoeren: je kunt vragen dat het omgangsrecht bij jou thuis, of bij je ouders, of bij een vertrouwenspersoon zou doorgaan.

  • Je (ex)echtgenoot is weggelopen met zijn/haar nieuwe relatie: je kunt vragen dat het bezoekrecht alleen in afwezigheid van die persoon zou doorgaan.

  • Je (ex)echtgenoot heeft een alcoholprobleem: je vraagt dat hij/zij de kinderen niet met de auto zou mogen vervoeren, en dat hij/zij verbod krijgt om ermee op café te gaan.

  • Je (ex)echtgenoot is gewelddadig tegenover de kinderen, of heeft ze seksueel benaderd: je staat erop dat het bezoekrecht alleen maar mag doorgaan in het bijzijn van een vertrouwenspersoon.

  • Contacteer CompuX voor meer info en voorbeelden.

Wat zegt de wet?

  HOOFDSTUK I. [1 - Ouderlijk gezag.]1
  ----------
(1)<Ingevoegd bij W 2017-03-19/08, art. 3, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017> 
   
Art. 371. <W 1995-04-13/37, art. 5, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> Een kind en zijn ouders zijn op elke leeftijd aan elkaar respect verschuldigd.

 

Art. 372. <W 1995-04-13/37, art. 6, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> Een kind blijft onder het gezag van zijn ouders tot aan zijn meerderjarigheid of zijn ontvoogding.

Art. 373.<W 1995-04-13/37, art. 7, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> Wanneer de ouders samenleven, oefenen zij het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uit.
Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met de andere ouder wanneer hij, alleen, een handeling stelt die met gezag verband houdt behouden de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
Bij gebreke van instemming kan één van beide ouders de zaak bij de [1 familierechtbank]1 aanhangig maken.
De rechtbank kan één van de ouders toestemming verlenen alleen op te treden voor één of meer bepaalde handelingen.


(1)<W 2013-07-30/23, art. 58, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014> 

Art. 374.<W 1995-04-13/37, art. 8, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> (§ 1.) Wanneer de ouders niet samenleven, blijven zij het ouderlijk gezag gezamenlijk uitoefenen en geldt het in artikel 373, tweede lid, bepaalde vermoeden. <W 2006-07-18/38, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 14-09-2006>
Bij gebreke van overeenstemming over de organisatie van de huisvesting van het kind, over de belangrijke beslissingen betreffende zijn gezondheid, zijn opvoeding, zijn opleiding en zijn ontspanning en over de godsdienstige of levensbeschouwelijke keuzes of wanneer deze overeenstemming strijdig lijkt met het belang van het kind, kan de bevoegde [1 familierechtbank]1 de uitoefening van het ouderlijk gezag uitsluitend opdragen aan één van beide ouders.
Hij kan eveneens bepalen welke beslissingen met betrekking tot de opvoeding alleen met instemming van beide ouders kunnen worden genomen.
Hij bepaalt de wijze waarop de ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, persoonlijk contact met het kind onderhoudt. Dat persoonlijk contact kan enkel om bijzonder ernstige redenen worden geweigerd. De ouder die niet het ouderlijk gezag uitoefent, behoudt het recht om toezicht te houden op de opvoeding van het kind. Hij kan bij de andere ouder of bij derden alle nuttige informatie hieromtrent inwinnen en zich in het belang van het kind tot de [1 familierechtbank]1 wenden.
In elk geval bepaalt de rechter de wijze waarop het kind wordt gehuisvest en de plaats waar het in het bevolkingsregister wordt ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf.

 

(§ 2. Ingeval de ouders niet samenleven en hun geschil [1 bij de familierechtbank]1 aanhangig wordt gemaakt, wordt het akkoord over de huisvesting van de kinderen door de rechtbank gehomologeerd, tenzij het akkoord kennelijk strijdig is met het belang van het kind.
Bij gebrek aan akkoord, in geval van gezamenlijk ouderlijk gezag, onderzoekt de rechtbank op vraag van minstens één van de ouders bij voorrang de mogelijkheid om de huisvesting van het kind op een gelijkmatige manier tussen de ouders vast te leggen.

Ingeval de rechtbank echter van oordeel is dat de gelijkmatig verdeelde huisvesting, niet de meest passende oplossing is, kan zij evenwel beslissen om een ongelijk verdeeld verblijf vast te leggen.
De rechtbank oordeelt in ieder geval bij een met bijzondere redenen omkleed vonnis, en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak en het belang van de kinderen en de ouders.) <W 2006-07-18/38, art. 2, 029; Inwerkingtreding : 14-09-2006>

(1)<W 2013-07-30/23, art. 59, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014> 

Art. 374/1. [1 De ouder aan wie het gezag over de persoon van het kind is toevertrouwd, ofwel luidens de in artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde overeenkomst die werd gehomologeerd met toepassing van artikel 1298 van hetzelfde Wetboek, ofwel ingevolge de overeenstemming tussen de ouders die werd bekrachtigd overeenkomstig artikel 1256 van hetzelfde Wetboek, ofwel bij beslissing van de voorzitter van de rechtbank rechtsprekend in kortgeding, overeenkomstig artikel 1280 van hetzelfde Wetboek, ofwel bij rechterlijke uitspraak met toepassing van de artikelen 223 of 374, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, mag de rechter verzoeken voor te schrijven dat op het op naam van het kind afgegeven identiteitsdocument en paspoort wordt vermeld dat het zonder de instemming van die ouder geen buitengrens mag overschrijden van de ruimte als bepaald in de Overeenkomst van 19 juni 1990 ter uitvoering van het tussen de regeringen van de Staten van de Benelux Economische Unie, de Bondsrepubliek Duitsland en de Franse Republiek op 14 juni 1985 te Schengen gesloten Akkoord betreffende de geleidelijke afschaffing van de controles aan de gemeenschappelijke grenzen.
Als het ouderlijk gezag gezamenlijk door de vader en de moeder van het kind wordt uitgeoefend, komt het recht om te verzoeken om de toevoeging van de in het eerste lid bedoelde vermelding toe aan die ouder over wie de rechter heeft bepaald dat het kind in het bevolkingsregister wordt ingeschreven als hebbende aldaar zijn hoofdverblijf.
Op verzoek van degene die het omgangsrecht heeft in de zin van artikel 5 van het Verdrag betreffende de burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen, opgemaakt te 's Gravenhage op 25 oktober 1980, kan de rechter beslissen dat op het identiteitsdocument en op het paspoort van het kind wordt vermeld dat ook de instemming van die persoon vereist is om de minderjarige een buitengrens te laten overschrijden. De rechter brengt de beslissing ter kennis van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente waar het kind verblijft.]1

(1)<Ingevoegd bij W 2014-05-22/38, art. 2, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> 

Art. 374/2. [1 De bevoegdheid om een op artikel 374/1 gebaseerd verzoek te behandelen, berust bij de rechter bij wie een aan de gang zijnde echtscheidingsprocedure aanhangig is gemaakt, en in alle andere gevallen bij de bevoegde rechter.]1

(1)<Ingevoegd bij W 2014-05-22/38, art. 3, 069; Inwerkingtreding : onbepaald> 

Art. 375.<W 31-03-1987, art. 42> [1 Indien de afstamming niet is vastgesteld ten aanzien van een van de ouders of indien een van beiden overleden of vermoedelijk afwezig is dan wel in de onmogelijkheid verkeert zijn wil te kennen te geven of wilsonbekwaam is, oefent de andere dat gezag alleen uit. Tenzij deze onmogelijkheid voortvloeit uit een uitdrukkelijke beslissing genomen overeenkomstig artikel 492/1 of uit een vermoeden van afwezigheid, wordt ze vastgesteld door de rechtbank van eerste aanleg overeenkomstig artikel 1236bis van het Gerechtelijk Wetboek.]1
(Als van beide ouders er geen overblijft die in staat is het ouderlijk gezag uit te oefenen, moet een voogdijregeling worden uitgewerkt.) <W 1995-04-13/37, art. 9, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995>

(1)<W 2013-03-17/14, art. 23, 061; inwerkingtreding : 01-09-2014 (W 2014-05-12/02, art. 22)> 

Art. 375bis.<ingevoegd bij W 1995-04-13/37, art. 10, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> De grootouders hebben het recht persoonlijk contact met het kind te onderhouden. Datzelfde recht kan aan ieder ander persoon worden toegekend, indien hij aantoont dat hij met het kind een bijzondere affectieve band heeft.
Bij gebreke van een overeenkomst tussen de partijen, wordt over de uitoefening van dat recht in het belang van het kind op verzoek van de partijen of van de procureur des Konings beslist door de [1 familierechtbank]1. [2 De familierechtbank weigert de uitoefening van het recht op persoonlijk contact enkel als de uitoefening van het recht ingaat tegen het belang van het kind.]2

(1)<W 2013-07-30/23, art. 60, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014> 
(2)<W 2018-06-15/03, art. 3, 081; Inwerkingtreding : 12-07-2018> 

Art. 376.<W 1995-04-13/37, art. 11, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> Wanneer de ouders het gezag over de persoon van het kind gezamenlijk uitoefenen, beheren zij ook gezamenlijk zijn goederen en treden zij gezamenlijk als zijn vertegenwoordiger op.
Ten opzichte van derden die te goeder trouw zijn, wordt elke ouder geacht te handelen met instemming van de andere ouder wanneer hij, alleen, een daad van beheer van de goederen van het kind stelt, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
Oefenen de ouders het gezag over de persoon van het kind niet gezamenlijk uit, dan heeft alleen de ouder die dat gezag uitoefent, het recht om de goederen van het kind te beheren en het kind te vertegenwoordigen, behoudens de bij de wet bepaalde uitzonderingen.
De andere ouder behoudt het recht om toezicht te houden op het beheer. Met dat doel kan hij bij degene die het gezag uitoefent of bij derden alle nuttige informatie inwinnen en zich in het belang van het kind tot de [1 familierechtbank]1 wenden.

(1)<W 2013-07-30/23, art. 61, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014> 

Art. 384. <W 1995-04-13/37, art. 13, 003; Inwerkingtreding : 03-06-1995> De ouders hebben het genot van de goederen van hun kinderen tot aan hun meerderjarigheid of hun ontvoogding. Het genot wordt gekoppeld aan het beheer : het behoort toe , hetzij aan de beide ouders samen hetzij aan de ouder die belast is met het beheer van de goederen van het kind.

Art. 386. <W 31-03-1987, art. 49> De lasten van dit genot zijn :
1° Die waartoe vruchtgebruikers gehouden zijn;
2° Levensonderhoud, opvoeding en passende opleiding van de kinderen, overeenkomstig hun vermogen;
3° De betaling van de rentetermijnen of interesten van de kapitalen;
4° De begrafeniskosten en de kosten van de laatste ziekte.

Art. 387.Het strekt zich niet uit tot de goederen welke de kinderen door afzonderlijke arbeid en nijverheid verwerven, noch tot die welke hun geschonken of vermaakt worden onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat de ouders daarvan het genot niet zullen hebben.
[1 In afwijking van het eerste lid heeft de ouder die ten aanzien van een van zijn kinderen onwaardig is, geen recht op het genot van de goederen van dat kind.]1

(1)<W 2012-12-10/14, art. 7, 057; Inwerkingtreding : 21-01-2013> 

Art. 387bis.[1 In alle gevallen, en onverminderd de artikelen 584 en 1280 van het Gerechtelijk Wetboek [3 en artikel 7/1 van de wet van 8 april 1965 betreffende de jeugdbescherming, het ten laste nemen van minderjarigen die een als misdrijf omschreven feit hebben gepleegd en het herstel van de door dit feit veroorzaakte schade]3, kan de familierechtbank in het belang van het kind, op verzoek van beide ouders of van één van hen, dan wel van de procureur des Konings, alle beschikkingen met betrekking tot het ouderlijk gezag opleggen of wijzigen, volgens het bepaalde in de artikelen [2 1253ter/4 tot 1253ter/6]1 van het Gerechtelijk Wetboek.]1

(1)<W 2013-07-30/23, art. 64, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014> 
(2)<W 2014-05-08/02, art. 46, 066; Inwerkingtreding : 01-09-2014> 
(3)<W 2017-03-19/08, art. 4, 076; Inwerkingtreding : 01-09-2017> 

Art. 387ter.<Ingevoegd bij W 2006-07-18/38, art. 4; Inwerkingtreding : 14-09-2006> § 1. [1 Ingeval één van de ouders weigert de rechterlijke beslissingen met betrekking tot de verblijfsregeling van de kinderen of het recht op persoonlijk contact uit te voeren, kan de zaak opnieuw voor de reeds geadieerde familierechtbank worden gebracht [2 , overeenkomstig de in artikel 1253ter/7 van het Gerechtelijk Wetboek voorziene procedure]2
De rechter doet uitspraak met voorrang boven alle andere zaken.
[1 ...]1.
Hij kan nieuwe beslissingen nemen met betrekking tot het ouderlijk gezag of de huisvesting van het kind.
Onverminderd strafvervolging kan hij de partij die het slachtoffer is van de miskenning van de in het eerste lid bedoelde beslissing toestaan een beroep te doen op dwangmaatregelen. Hij bepaalt de aard van deze maatregelen en de nadere regels betreffende de uitoefening ervan, rekening houdend met het belang van het kind en wijst, indien hij zulks nodig acht, de personen aan die gemachtigd zijn de gerechtsdeurwaarder te vergezellen voor de tenuitvoerlegging van zijn beslissing.
De rechter kan een dwangsom uitspreken om te waarborgen dat de te nemen beslissing zal worden nageleefd en, in die hypothese, stellen dat voor de tenuitvoerlegging van die dwangsom, artikel 1412 van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing is.
De beslissing is van rechtswege uitvoerbaar bij voorraad.

 

§ 2. Dit artikel is eveneens van toepassing wanneer de rechten van de partijen geregeld zijn door een overeenkomst zoals voorzien in artikel 1288 van het Gerechtelijk Wetboek. In dit geval, en onverminderd § 3, wordt de zaak bij de [1 familierechtbank]1 aanhangig gemaakt door middel van een verzoekschrift op tegenspraak.
 

§ 3. In geval van absolute noodzaak, en onverminderd de mogelijkheid om een beroep te doen op artikel 584 van het Gerechtelijk Wetboek, kan bij eenzijdig verzoekschrift de toestemming worden gevraagd om een beroep te doen op de dwangmaatregelen als bedoeld in § 1. De artikelen 1026 tot 1034 van het Gerechtelijk Wetboek zijn van toepassing. De verzoekende partij moet het verzoekschrift staven met alle dienstige stukken die aantonen dat de weigerende partij daadwerkelijk werd aangemaand haar verplichtingen na te komen en dat zij zich heeft verzet tegen de tenuitvoerlegging van de beslissing.
De inschrijving van het verzoekschrift is kosteloos. Het verzoekschrift wordt gevoegd bij het dossier van de rechtspleging die aanleiding heeft gegeven tot de beslissing die niet werd nageleefd, tenzij de zaak inmiddels bij een andere rechter aanhangig is gemaakt.

 

§ 4. Dit artikel doet geen afbreuk aan de internationale bepalingen die België verbinden op het vlak van de internationale ontvoering van kinderen.

(1)<W 2013-07-30/23, art. 65, 065; Inwerkingtreding : 01-09-2014>
(2)<W 2014-05-08/02, art. 47, 066; Inwerkingtreding : 01-09-2014> 

 

bron: https://www.belgium.be/nl/familie/koppel/scheiding/ouderlijk_gezag

https://ejustice.just.fgov.be

© 2019 -         14.1952.10 - BE 0673.395.180

privacyverklaring

  • LinkedIn Social Icon